zondag 22 september 2013

Laten we feest vieren!

Feest vieren
'Zorg om wat verloren is' staat er boven Lucas 15 in de NBV. Jezus vertelt drie gelijkenissen achter elkaar. Eerst over het verloren schaap, dan over de verloren munt (drachme) en tot slot over de verloren zoon. 

Die laatste is ongetwijfeld een van de meest bekende gelijkenissen. Wanneer deze gelijkenis aan de orde komt, wordt er ook vaak ingezoomd op de vader. Het wordt ook wel eens 'de gelijkenis van de liefdevolle vader' genoemd. Dat is het beeld van God, dat we in deze gelijkenis mogen zien. God zoekt wat verloren is. Dat is ook het thema van de eerste twee gelijkenissen.


Al lezende bleef mijn aandacht hangen bij de oudste zoon. Hoewel deze pas aan het eind van het verhaal in beeld komt en maar kort, is er toch een belangrijke boodschap uit te halen. Daarvoor moeten we allereerst even stil staan bij de rol van een oudste, oftewel eerstgeboren, zoon in die tijd.

Het krijgen van een zoon komt in de Bijbel duidelijk naar voren als een zegen. Door hem wordt de naam van de familie behouden. Er waren zelfs speciale voorschriften hoe gehandeld moest worden wanneer een vader geen zonen had om dan toch de familienaam te behouden. Belangrijk, want zo bleef ook het bezit behouden voor de familie; de erfenis. (Denk hierbij bijvoorbeeld aan het verhaal van Ruth!)

De vader in het verhaal is in dit opzicht een gezegend man! Hij heeft twee zonen, die niet alleen zijn naam behouden, maar ook zijn bezit. Wanneer de jongste zoon vraagt om zijn deel van de erfenis, zal hij een kleiner deel krijgen dan zijn oudste broer. Dat waren de voorschriften: de oudste krijgt het grooste deel, de grootste zegen. (Dit is precies ook het strijdpunt bij Esau en Jacob!) De oudste zoon in het verhaal weet dus, dat hij de grootste zegen zal krijgen en het merendeel van het bezit van zijn vader. 

Eerstgeborenen hebben een bijzondere positie. Zo lezen we in Lucas 2:23: "Elke eerstgeboren zoon moet aan de Heer worden toegewijd." Dit voorschrift gold trouwens niet alleen voor mensen, maar ook de dieren en ook de opbrengst van het land. In dit voorschrift komt heel duidelijk naar voren, dat God zelf op de eerste plaats wil staan. Het eerste en belangrijkste deel is voor God. Pas daarna kom je zelf aan de beurt. Tegelijkertijd bepaalt God de mensen er zo telkens weer bij, dat alles wat je ontvangt van Hem afkomstig is.

De oudste zoon in de gelijkenis is dus degene die de grooste zegen zal ontvangen en tegelijk ook degene die aan God gewijd is kort na zijn geboorte. Tegen die achtergrond heeft hij dus geen enkele reden om jaloers te zijn op hoe zijn vader omgaat met zijn jongere broer. Hij heeft enkel oog voor zijn recht, niet voor zijn bijzondere positie en al helemaal niet voor de zegen die hij mag ontvangen.
Dat zijn vader hem terecht wijst, past dus ook helemaal in die lijn: "Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’ (Lucas 15:31-32)

Ook ik kan wel eens jaloers zijn op een ander. Op wat een ander heeft, op het geloof van een ander, op hoe een ander kan bidden, op hoe het in een andere gemeente er aan toe gaat. Deze gelijkenis leert mij, dat mijn focus dan niet klopt. Want door mijn jaloezie zie ik mijn eigen rijkdom niet meer. Ik heb nergens recht op, maar alles wat ik krijg is een geschenk, een zegen, pure genade! Dank zij Jezus.

Ook Jezus was een eerstgeborene: "Toen de tijd was aangebroken dat ze zich overeenkomstig de wet van Mozes rein moesten laten verklaren, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan de Heer aan te bieden, zoals is voorgeschreven in de wet van de Heer: ‘Elke eerstgeboren zoon moet aan de Heer worden toegewijd.’ " (Lucas 2:22-23) Jezus was de eerstgeboren zoon voor Jozef en Maria, maar ook van God zelf: "Maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie hij de wereld heeft geschapen. In hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld. (Hebreeën 1:2-3)

En omdat Jezus mijn plaats heeft ingenomen, is Zijn erfenis ook de mijne: "De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. En nu we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God. Samen met Christus zijn wij erfgenamen: wij moeten delen in zijn lijden om met hem te kunnen delen in Gods luister." (Romeinen 8:16-17)

Alle reden voor dankbaarheid, zegt Paulus: "Breng dus met vreugde dank aan de Vader. Hij stelt u in staat om te delen in de erfenis die alle heiligen wacht in het licht. Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden. (Kolossenzen 1:12-14)

Dank zij Jezus ben ik geheiligd en God toegewijd. met de woorden van de vader uit de gelijkenis: Dank zij Jezus mag ook ik elke dag bij Vader zijn. Dank zij Jezus is alles wat van Hem is ook van mij. Laat ik dus feest vieren, want Jezus was dood, maar is weer levend! Ik was verloren, maar ik ben door Hem weer gevonden!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen