zondag 24 augustus 2014

Vertrouwen in de woestijn

vertrouwen in de woestijn
Je zult maar midden in de woestijn zitten en je eten en drinken is zo goed als op. En dat, terwijl je uit een land komt waar eten genoeg was! Wat dat betreft snap ik de Israëlieten heel goed! 
"Had de HEER ons maar laten sterven in Egypte,’ zeiden ze tegen Mozes en Aäron. ‘Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. U hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons hier allemaal van honger te laten omkomen." (Exodus 16:2-3) 

Wel valt me de heftigheid op waarmee ze dit zeggen. Zeker tegen de achtergrond van hoe hun leven in Egypte er uit zag: een slavenbestaan. Dag in dag uit werden ze afgebeuld en moesten ze keihard werken. Wie zou daar naar terug verlangen? Maar eten blijkt de Achilleshiel, de zwakke plek, ondanks Gods belofte, dat Hij hen zou brengen "naar een land dat overvloeit van melk en honing" (Exodus 3:8)

Maar dat land is nog ver weg! Hun blik wordt verblind, door de realiteit van het hier en nu. Wat ze nú zien is, dat het eten op is en om hen heen een dorre woestijn! Het gemopper richt zich tegen Mozes en Aäron. Maar, zoals van goede leiders verwacht mag worden, wijzen zij naar God. Hij is degene die de leiding heeft. "Wend u tot de HEER, want hij heeft uw geklaag gehoord.”’ Zodra Aäron dit aan het volk had opgedragen en allen zich met het gezicht naar de woestijn hadden opgesteld, verscheen in een wolk de majesteit van de HEER." (Exodus 16:9-10)

lege handen
Opvallend detail: heel het volk kijkt naar de woestijn! Niet naar de hemel, maar naar de woestijn! Daar laat God zich zien: "Ik heb gehoord hoe de Israëlieten zich beklagen. Zeg tegen hen: “Wanneer de avond valt zullen jullie vlees eten, en morgenochtend brood in overvloed. Dan zullen jullie inzien dat ik, de HEER, jullie God ben.”’ (Exodus 16:12) Ik moet denken aan Psalm 121, waar je een vergelijkbaar beeld terug ziet: "Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakt heeft." (Psalmen 121:1-2) Juist daar in die woestijn of daar tussen die grote bergen, plekken waar je aan je lot bent overgelaten, juist daar laat God zich vinden. Hij die de woestijn en de bergen heeft geschapen, staat boven de omstandigheden. Daar waar je zelf met lege handen staat, daar waar de omstandigheden uitzichtloos zijn, daar is God om ze te vullen!

Later wijst Mozes het volk daar nog eens op: "Denk aan de tocht die de HEER, uw God, u door de woestijn heeft laten maken, veertig jaar lang. Hij wilde u zijn macht laten voelen en u op de proef stellen, om te ontdekken wat er in uw hart leefde: gehoorzaamheid aan zijn geboden of niet. U hébt zijn macht leren kennen: hij liet u honger lijden en gaf u toen manna te eten, voedsel dat u nooit eerder had gezien en uw voorouders evenmin. Zo maakte hij u duidelijk dat een mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat de mond van de HEER voortbrengt." (Deuteronomium 8:2-3) 

geen eten meer
En het bijzondere is, dat Jezus juist dit gegeven, tijdens zijn eigen woestijnperiode, gebruikt om satan te bestrijden: "Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg Hij ten laatste honger. En de verzoeker kwam en zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen broden worden. Maar Hij antwoordde en zeide: Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat." (Matteüs 4:1-4 NBG51) Met zijn gezicht naar de woestijn bleef Jezus gericht op Zijn Vader.

De leerlingen van Jezus hebben, net als de Israëlieten in de woestijn, de neiging om in paniek te raken wanneer er geen eten is. Vijfduizend mannen, de vrouwen en kinderen niet meegeteld, zijn komen luisteren naar Jezus. Maar als het dan avond wordt, ontstaan de zorgen: "Bij het vallen van de avond kwamen de leerlingen naar hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen." (Matteüs 14:15) De paniek wordt nog groter wanneer Jezus zegt: "Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten." (Matteüs 14:16) Menselijk als ze zijn, is hun antwoord: "We hebben hier niets, alleen vijf broden en twee vissen." (Matteüs 14:17) Anders gezegd: 'Wat wij te bieden hebben in deze omstandigheden is verwaarloosbaar!' Hun blik wordt verblind, door de realiteit van het hier en nu.

Maar Jezus staat boven de omstandigheden! En dát is wat Hij Zijn leerlingen duidelijk wil maken. "En nadat hij de mensen opdracht had gegeven op het gras te gaan zitten, nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit en brak de broden; hij gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze door aan de mensen. Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze twaalf manden vol." (Matteüs 14:19-20) 

nog steeds paniek
In het volgende hoofdstuk lezen we over een vergelijkbare situatie. Dit keer 4000 mannen, de vrouwen en kinderen nog niet meegerekend. "Verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen meegebracht, die men aan zijn voeten legde, en hij genas hen allen." (Matteüs 15:30) Na het zien van deze wonderen en met de vorige wonderbare spijziging nog in hun achterhoofd zou je verwachten, dat de discipelen niet schrikken, wanneer Jezus hen vraagt om de mensen eten te geven. Maar wat is hun reactie? "Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?’ (Matteüs 15:33) 

Is dat niet precies wat ooit ook de Israëlieten dachten toen ze daar stonden in de woestijn? En ook zij hadden God grote wonderen zien doen in Egypte en bij de uittocht. En toch die paniek ... Keer op keer laat God Zijn grootheid zien; tastbare wonderen. Maar zodra er zich een situatie voordoet, waarin ze als mens er geen gat meer in zien, slaat de paniek toe. God geprezen wanneer het allemaal goed gaat, maar zodra zich een woestijnsituatie voordoet, slaat het prijzen om in onvrede, zorg, angst of paniek. Heeft God het allemaal wel in de hand? En waarom zie ik dat dan niet? 

wees op je hoede
Vlak na deze tweede wonderbare spijziging proberen de Farizeeën en de Sadduceeën Jezus op de proef te stellen. Ze zoeken een manier om Hem onderuit te halen. Maar Jezus kent hun beweegredenen. En daarom waarschuw Hij ook Zijn discipelen voor hun listen en schijnheiligheid: "De leerlingen voeren naar de overkant, maar waren vergeten brood mee te nemen. Dus toen Jezus tegen hen zei: ‘Wees terdege op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën,’ begonnen ze er met elkaar over te praten dat ze geen brood hadden meegenomen. (Matteüs 16:5-7) Ze begrijpen de beeldspraak van Jezus totaal niet. Ze denken nog steeds in het hier en nu. Meteen is daar weer de zorg om het eten! 

En dan krijgen ze er flink van langs van Jezus! "Jezus merkte het en zei: ‘Kleingelovigen, waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen brood bij je hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en herinneren jullie je ook de vijf broden voor de vijfduizend niet, en hoeveel manden jullie weer ophaalden? En ook niet de zeven broden voor de vierduizend en hoeveel manden jullie toen weer ophaalden? Hoe is het mogelijk dat jullie niet begrijpen dat ik het niet over brood had? Wees op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën!’ (Matteüs 16:8-11) Hoe kun je, na alles wat er is gebeurd en na alles wat je hebt gezien, je nog steeds druk maken over het feit of je wel te eten zult hebben? 

"Toen begrepen ze dat hij niet bedoelde dat ze op hun hoede moesten zijn voor de zuurdesem in het brood, maar voor het onderricht van de Farizeeën en de Sadduceeën." (Matteüs 16:12) Ineens gaan hun ogen open! Jezus spreekt over geestelijke dingen, terwijl de discipelen blijven hangen in het lichamelijke aardse bestaan. Ik moet denken aan Jezus woorden in Zijn bergrede: "Vraag je dus niet bezorgd af: “Wat zullen we eten?” of: “Wat zullen we drinken?” of: “Waarmee zullen we ons kleden?” – dat zijn allemaal dingen die de heidenen najagen. Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben. Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden. Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last." (Matteüs 6:31-34)

Vertrouwen
De Israëlieten in de woestijn, de discipelen in hun geestelijke woestijn en ikzelf in de mijne. God vraagt vertrouwen! 'Kijk naar alles wat Ik heb gedaan en nog dagelijks doe! Richt je gezicht op de woestijn en zie hoe Ik Mijzelf daar aan jou wil openbaren! Je bent Mijn kostbare bezit! Zal ik je dan niet alles geven wat je nodig hebt?' 

Ik ken persoonlijk ook van die woestijnmomenten: Hoe moet het straks wanneer ik geen baan meer heb? Hoe komen we dan rond? Vragen die soms zomaar ineens weer naar boven komen. Of, eigenlijk niet zomaar ... Satan zoekt ons op in onze woestijn. Hij probeert mij te verblinden, door te wijzen op de realiteit van het hier en nu. Geestelijke strijd in de woestijnmomenten van mijn leven. Van Jezus leer ik hoe ik satan van een antwoord kan voorzien: "Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat." (Matteüs 4:1-4 NBG51) En zo kan ik, daar midden in mijn woestijn, in vertrouwen zingen:

Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? 
Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakt heeft. 
Hij zal mijn voet niet laten wankelen, hij zal niet sluimeren, mijn wachter. 
Nee, hij sluimert niet, hij slaapt niet, de wachter van Israël. 
De HEER is mijn wachter, de HEER is de schaduw aan mijn rechterhand: 
overdag kan de zon mij niet steken, bij nacht de maan mij niet schaden. 
De HEER behoedt mij voor alle kwaad, hij waakt over mijn leven, 
de HEER houdt de wacht over mijn gaan en mijn komen van nu tot in eeuwigheid! 
(Psalmen 121:1-8)

1 opmerking:

  1. Dank je wel voor deze blog. Mooie plaatje erbij. Heel leerzaam om te lezen.

    BeantwoordenVerwijderen