zondag 29 november 2015

Aan de slag met mijn gaven!

Aan de slag met je gaven
Wanneer Jezus onderwijs gaf, deed Hij dat vaak in de vorm van een gelijkenis. Een verhaal waarin Hij een bepaalde boodschap verpakte; vaak een herkenbare situatie. Juist daarom staan ze vaak ook al in kinderbijbels beschreven. De meeste gelijkenissen zijn daardoor zó bekend, dat de meeste mensen die met de Bijbel opgegroeid zijn de gelijkenissen in het kort zo kunnen navertellen.

Juist door die overbekendheid is er ook een gevaar. Namelijk dat je aan belangrijke zaken voor gaat. Ik werd me daar van bewust toen we in de kerk een stukje lazen van de gelijkenis van de ponden (Lucas 19). Het lijkt in deze gelijkenis vooral te draaien om de dienaar die, in tegenstelling tot de anderen, niets gedaan heeft met de ponden, die hij gekregen had. Hij krijgt er flink van langs! Het gaat veel dieper dan alleen de boodschap dat je je gaven moet inzetten. Het is een gelijkenis op het scherpst van de snede; over leven en dood!

Toen ik deze gelijkenis nog eens goed door las en overdacht, ging er een wereld voor me open. Want er staat nog zoveel meer in deze gelijkenis! Maar ook om deze gelijkenis heen! Zeker wanneer je verbanden gaat leggen met andere gedeelten uit de Bijbel.

Zacheüs de zondaar
Jezus vertelt deze gelijkenis niet zomaar op een willekeurig moment. Hij is bij Zacheüs op bezoek. De mensen nemen Hem dat kwalijk! Hoe kan Jezus op bezoek gaan bij een grote zondaar als Zacheüs, de tollenaar! "En allen die het zagen, morden onder elkaar en zeiden: Hij is bij een zondige man binnengegaan om daar Zijn intrek te nemen." (Lucas 19:7) Voor Jezus was er echter geen andere optie! "En toen Jezus bij die plaats kwam, keek Hij op, zag hem en zei tegen hem: Zacheüs, haast u en kom naar beneden, want heden moet Ik in uw huis verblijven." (Lucas 19:5) Jezus 'moet' daar zijn, staat er! Er is hier geen sprake van toeval, maar van een gericht bezoek. En Jezus geeft zelf de reden: "De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was." (Lucas 19:10) 

Voor Zacheüs brengt dit bezoek van Jezus een omkeer in zijn leven! Deze ontmoeting met Jezus verandert zijn hart! "Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig." (Lucas 19:8) Zacheüs is niet langer op zichzelf gericht, maar op Jezus. En daarom, als een gevolg daar van, is hij als vanzelf ook gericht op anderen. Jezus plant Zijn Woord in het hart van Zacheüs! "Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat." (Matteüs 22:37-39) Zacheüs geeft de helft van zijn bezit weg aan de armen. Hij gunt hen net zo veel als hij zelf heeft. Het is de ruimhartigheid die God geboden had: "Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is." (Deuteronomium 15:11) En Zacheüs vergoedt wat hij gestolen heeft viervoudig. Ik moet daarbij denken aan het gebod dat een gestolen stuk kleinvee viervoudig moet worden vergoed (Exodus 22:1) Door de ontmoeting met Jezus, is Zacheüs God gaan liefhebben boven alles en zijn naaste als zichzelf. En dat wordt zichtbaar in zijn verlangen om dat te doen wat God door middel van de wet en de profeten aan zijn volk had opgelegd. Niet omdat het moet, maar omdat hij niets liever wil! Hij is niet langer op zichzelf gericht, maar op de ander. Zijn blik is niet meer naar binnen gekeerd, maar naar buiten. Zacheüs heeft het Leven gevonden en nu komen er stromen van Levend Water uit zijn binnenste!

Jezus leidt Zacheüs naar het hart van Zijn Vader. Maar de omstanders hebben alleen maar oog voor Zacheüs als zondaar. Ze zijn verontwaardigd dat hij Zacheüs beloont met een bezoek. Veel te veel eer voor deze man! Maar er is meer ... "Terwijl zij nu dit alles hoorden, sprak Hij een gelijkenis uit, die Hij eraan toevoegde omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij dachten dat het Koninkrijk van God onmiddellijk zou aanbreken." (Lucas 19:11) 

Versluiering
Jezus spreekt in gelijkenissen om iets te onthullen van Gods oorspronkelijke bedoelingen. "Al deze dingen zei Jezus in gelijkenissen tot de menigte; hij sprak uitsluitend in gelijkenissen tot hen. Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet: ‘Ik zal het woord nemen en spreken in gelijkenissen; ik zal bekendmaken wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen was." (Matteüs 13:34-35) Door de zondeval is er een bedekking gekomen over de mens, waardoor hij niet meer in staat is de Gods oorspronkelijke bedoeling te zien, te bevatten en uit te voeren. Maar door Jezus wil God herstel brengen. "Hun denken verstarde, en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt. Hij wordt alleen in Christus weggenomen." (2 Korintiërs 3:14) Door middel van de gelijkenissen mag Jezus iets van die bedekking weg halen. "Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben." (1 Korintiërs 13:12) 

De gelijkenissen brengen echter ook scheiding. Jezus zegt het zo: "Dit is de reden waarom ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen. In hen komt deze profetie van Jesaja tot vervulling: “Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen.” (Matteüs 13:13-15) In het begrijpen van de gelijkenis wordt zichtbaar of er sprake is van geloof of ongeloof, sprake van gericht zijn op het Koninkrijk van God of het koninkrijk van mensen. "Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van God kennen, maar de anderen krijgen alles in gelijkenissen te horen, opdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen." (Lucas 8:10) 

De mensen daar rondom het huis van Zacheüs dénken, dat ze gericht zijn op het Koninkrijk van God. Maar uit de reacties op het bezoek van Jezus aan Zacheüs blijkt het tegendeel! En omdat Jezus weet, dat ze dicht bij Jeruzalem zijn en Hij hun verkeerde verwachtingen kent, deelt Hij opnieuw een gelijkenis met hen. En in de gelijkenis wordt de versluiering bij de luisteraars zichtbaar! Waar de mensen verwachten, dat Jezus in Jeruzalem het Koninkrijk van God zal vestigen, daar spreekt Jezus over iemand die juist wég gaat om koning te kunnen worden; over Zichzelf dus. Jezus zal eerst moeten sterven, moeten opstaan uit het graf om de dood te verslaan en terug moeten keren naar Zijn Vader in de hemel vóórdat het Koninkrijk van God definitief gevestigd zal worden.

Aan het werk
De man in het verhaal laat zijn dienaren niet met lege handen achter. "Hij riep tien van zijn dienaren bij zich, gaf elk van hen honderd drachme en zei tegen hen: “Ga daarmee handeldrijven terwijl ik weg ben.”" (Lucas 19:13) De dienaren worden aan het werk gezet.
Op dezelfde manier laat Jezus zijn volgelingen niet met lege handen achter. "Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest. Wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde." (Handelingen 1:5,8) Mooi hoe in deze woorden van Jezus hele oude woorden van David door klinken: "Maak aan alle volken zijn majesteit bekend, aan alle naties zijn wonderdaden." (2 Kronieken 16:24) 

Jezus zet Zijn leerlingen aan het werk! Hij herinnert ze aan Zijn eerdere opdracht: "Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld." (Matteüs 28:19-20) De leerlingen van Jezus krijgen de Heilige Geest. En vervolgens mogen ze in Zijn kracht aan het werk. Het evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen én mensen dopen. Zo geven ze als het ware de Heilige Geest weer door aan anderen. En die mogen het op hun beurt ook weer door geven. Bijzonder hoe het 'handeldrijven' uit de gelijkenis hierin zichtbaar wordt ... 

Tegenwerking
Er zijn trouwens nog meer personages in de gelijkenis! De landgenoten van de man: "Maar zijn landgenoten haatten hem en stuurden afgevaardigden achter hem aan met de boodschap: “We willen niet dat die man koning over ons wordt!”" (Lucas 19:14) Zijn eigen landgenoten proberen te voorkomen, dat deze man koning wordt ...
Jezus kent de mensen aan wie Hij de gelijkenis vertelt. Over niet al te lange tijd zullen ze, met vele anderen, opnieuw om hem heen staan. De leiders van het volk, die Hem haten. Ze zullen Hem aanklagen bij de Romeinse overheersers: "We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn." (Lucas 23:2) Ze zullen het volk ophitsen tegen Jezus.  "En ze begonnen weer te schreeuwen. ‘Kruisig hem!’ riepen ze. Pilatus vroeg: ‘Wat heeft hij dan misdaan?’ Maar ze schreeuwden nog harder: ‘Kruisig hem!’" (Marcus 15:13-14) 

Verantwoording
De gelijkenis gaat verder ... De man, inmiddels koning geworden, komt terug. Hij roept zijn dienaren ter verantwoording. Allemaal zijn ze aan de slag gegaan met dat wat ze hadden gekregen. De één heeft meer bereikt dan de ander, maar desondanks worden ze allemaal beloond. Hij vergelijkt de prestaties van de één niet met die van de ander. Hij beloont hen naar de mate van hun eigen inzet. 

Eén dienaar valt uit de toon ... Hij geeft terug, wat hij had ontvangen. Hij heeft het verstopt uit angst voor het oordeel van de koning. Hij heeft de veilige weg gekozen: 'Als ik niets doe, dan kan mij ook niets overkomen.' Hij was niet gericht op de opdracht van zijn heer, maar op zijn eigen redding. Hij was naar binnen gericht, op zijn eigen leven. Net zoals Zacheüs, vóór zijn ontmoeting met Jezus
Het viel me op, dat deze dienaar in de gelijkenis wat hij kreeg verstopte in een doek. Het woord, dat gebruikt wordt in het Grieks, wijst op een zweetdoek. Dit zelfde woord komen we ook tegen bij Lazarus. Zijn hoofd was omwonden met zweetdoeken toen hij in het graf lag. Nadat Jezus hem tot leven had geroepen, gaf Hij opdracht om deze zweetdoeken te verwijderen (Johannes 11:44). Ook het hoofd van Jezus zélf zou later met deze doeken worden omwonden. Het gelaat van de dode werd bedekt. 

Nadat Jezus zelf is opgestaan uit het graf gaan Johannes en Petrus bij het graf kijken. "Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging het graf wel binnen en zag de doeken liggen. En de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen maar afzonderlijk, opgerold, op een andere plaats." (Johannes 20:6-7 HSV) De zweetdoek lag apart ... Dat kan geen toeval zijn! Was het om te benadrukken, dat er geen dood gelaat meer bedekt hoefde te worden? Dat Jezus echt leefde en weer gezien kon worden? Of was het een knipoog van Jezus naar de gelijkenis, die Hij had verteld? Is geloof, dat verstopt wordt geen dood geloof? Jacobus schrijft: "Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is ook geloof zonder daden dood." (Jacobus 2:26) Geloof moet gezien worden! "Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel. (Matteüs 5:14-16) 

Zweetdoek
Tegen deze achtergrond denk ik persoonlijk, dat Jezus in de gelijkenis er heel bewust voor koos om te vertellen, dat de dienaar dat wat hij kreeg verstopte in een zweetdoek. Het benadrukt dat het verstopte 'kapitaal' een dood kapitaal werd. In de handen van deze dienaar was het waardeloos ...
Voor de meeste mensen aan wie Jezus de gelijkenis vertelt, zal de geschiedenis van Jezus ophouden bij Zijn dood. Het was toch niet de Messias waar ze naar uit keken ... Maar voor Zijn leerlingen, voor hen bij wie Jezus wél geloof vond, stopte het hier niet! Jezus stond op uit de de dood! Hij leeft! De zweetdoek hoefde Zijn gelaat niet langer te verbergen! 

Het is alsof Jezus, door de zweetdoek op een aparte plek neer te leggen, wil zeggen: 'Denk aan die gelijkenis! Denk aan de belofte van de Heilige Geest! De gaven die je zult ontvangen zijn om te gebruiken! Wat ik jullie geef moet vermenigvuldigd worden! Doe je dat niet, dan dient het nergens toe! Dan is het dood!'

Vlak voordat Jezus opgenomen wordt naar de hemel, zegt Hij: "Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen." (Marcus 16:17-18) Dit zijn de gaven die elke gelovige ontvangt! Wanneer ik dit lees tegen de achtergrond van deze gelijkenis, dan is dat confronterend! Ga ik er op uit om mensen het evangelie van het Koninkrijk van God te verkondigen? Doop ik de mensen, die het geloof aannemen, in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest? Drijf ik demonen uit? Leg ik zieken de handen op om genezing uit te spreken? Oftewel: Handel ik met dat wat ik heb gekregen? Of kies ik voor de veilige weg en verstop ik het in een zweetdoek ... Of gebruik ik alleen die gaven waar ik me comfortabel bij voel ... Maar is dat niet eigenlijk hetzelfde als mijn gaven verstoppen? Is mijn geloof een levend geloof of een dood geloof? Krijgt de Geest volop de ruimte in mijn leven?

Wat me verder raakt, is het feit dat het woord voor zweetdoek nog een derde keer voor komt in de Bijbel, namelijk bij Paulus: "En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, zo zelfs dat, als de zweetdoeken of de doeken die hij om zijn middel droeg, van zijn lichaam op de zieken gelegd werden, de ziekten van hen weken en de boze geesten uit hen weggingen". (Handelingen 19:11-12) Paulus verstopt de gaven die hij gekregen heeft niet. Hij gaat er mee aan de slag! Jezus heeft de dood overwonnen; Hij leeft! Dat moet iedereen weten. Geen zweetdoek die dat nog kan verbergen! Paulus gaat aan het werk met wat hij heeft ontvangen. Handel drijven met de Geest, om het zo maar even te noemen. En wanneer de Geest de ruimte krijgt, gebeuren er grote dingen! Zelfs wanneer de doeken die Paulus gebruikt had op iemand werden gelegd ging er kracht van uit? Omdat die doeken zo speciaal waren? Omdat Paulus zo bijzonder was? Ik denk het niet ... Ik denk, dat die doeken de kwade geestelijke machten, de demonen, confronteerden met de opstanding van Jezus. Een confrontatie met het feit dat Hij hun macht gebroken heeft. Paulus gaf gehoor aan de opdracht van Jezus. Hij verkondigde het Koninkrijk van God en de Heilige Geest bevestigde dat. En waar het Koninkrijk van God gepredikt wordt, waar de Naam van Jezus wordt uitgesproken, daar moeten satan en zijn demonen vluchten! En zo is Paulus voor ons allemaal een voorbeeld.

Jezus woorden aan het slot van de gelijkenis zijn duidelijk: "Ik zeg jullie: wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft worden ontnomen. En die vijanden van mij die niet wilden dat ik koning over hen werd, breng hen hier en dood ze voor mijn ogen." (Lucas 19:26-27) Of ik mijn gaven gebruik is een zaak van leven en dood. Niet alleen voor mijzelf, maar ook voor hen die ik had kunnen bereiken door mijn gaven te gebruiken.Weg met die zweetdoek dus ... er is werk aan de winkel! Levensreddend werk! Kijk maar naar Zacheüs ... In zijn leven is zichtbaar geworden waarover Paulus later schrijft; woorden die hij zélf in zijn leven heeft mogen ervaren: "Maar telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen. Welnu, met de Heer wordt de Geest bedoeld, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd." (2 Korintiërs 3:16-18) 

Heer, ik richt mijn blik op U! Neem de sluier weg! Allereerst bij Uw eigen volk, bij Israël, maar ook bij mij en bij zovele anderen ... Verander mensen naar uw beeld, zoals u deed bij Zacheüs, bij Paulus en bij zoveel anderen. Laat uw Koninkrijk zichtbaar worden voor ons en door ons! Geef dat ik uw gaven niet verstop in een zweetdoek, maar dat mijn zweetdoek juist alle kwade machten herinnert aan Jezus die is opgestaan! Laat Uw Koninkrijk spoedig komen!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen